PUUR

Een roman over een jonge vrouw op zoek naar haar biologische ouders.

Nieuwsgierig naar het boek? Hieronder plaats ik vrijwel dagelijks een stukje uit het boek. Veel leesplezier en laat ook eens een berichtje achter!


Hoofdstuk 5 - Bangkok (2)

Ons hotel was werkelijk perfect. Aan de rand van het drukke centrum en voorzien van alle luxe die wij ons maar konden wensen. In het midden van het hotel lag een prachtig zwembad en wat zag ik uit naar een frisse duik in het koele water. Snel checkten we in. Op onze kamer gooiden we onze rugzakken leeg op het bed en graaiden naar onze zwemspullen.

‘Kijk Tam, hoe vind je mijn nieuwe bikini?’

Esther stond in de badkamer haar spiegelbeeld te bewonderen. Ze had een hippe kleurrijke bikini aan. Klein bovenstukje met een nog kleiner broekje. Het stond haar goed, want ze was haar bruine tintje van de zomervakantie nog niet kwijt.

‘Zo, doe maar duur. Heb je een nieuwe?’

Ze knikte vol trots. ‘Ja, speciaal voor deze trip aangeschaft. Staat me wel goed, toch?’ voegde ze er een tikje onzeker aan toe.

Ik knikte. ‘Jou staat alles! Maak je niet druk. Pak je badlaken dan kunnen we dippen.’

Hoewel ze van haar spiegelbeeld genoot, sprak het koele water haar nog meer aan. We snelden ons naar beneden en zonder enige aarzeling doken we in het water. Dat was een ware verademing. Het koele water spoelde het vieze plakkerige zweet en grauwe stof van mijn lijf. De vermoeidheid kon het natuurlijk niet weg werken, maar het hielp wel. We zwommen een paar baantjes en zagen toen een paar uitnodigende ligstoelen staan. 

‘Zullen we even gaan liggen? Het is wel lekker om iets te ontspannen, vind je niet?’ vroeg ik.

Ontspannen, relaxen, slapen. Het maakte Esther niet uit. Die was daar altijd voor te porren. En dit keer wilde ik ook wel, heel eventjes.

‘Hè, verdorie.’

Ergens in de verte hoorde ik het brommende stemgeluid van Esther en realiseerde me ineens dat ik niet thuis was. Even moest het tot me doordringen dat ik niet in mijn eigen vertrouwde bed lag te slapen, maar dat ik op een ligstoel aan het zwembad van een hotel lag. In Bangkok. Dat was even slikken. Ik kwam overeind en zag Esther in de weer met haar badlaken.

‘Hee, je bent toch niet stiekem zonder mij wezen zwemmen?’ vroeg ik verbaasd.

‘Nee, zeker niet. Maar die bolle daar,’ zei ze terwijl ze met haar hoofd in de richting van een goed gevulde man gebaarde. ‘Die dook naast mij in het water en dat resulteerde in een vloedgolf. En dat terwijl ik net zo lekker opgedroogd was en heerlijk lag te slapen,’ en ze gaapte erbij.

Ik lachte een beetje schaapachtig. Was dat alles, Esther kon zich om zulke onbenullige dingen druk maken. Een paar spetters. Oh jee, haar bikini nat. Ik grinnikte een beetje in mijzelf en liet mij weer op het bedje zakken. Maar voordat mijn hoofd het bedje raakte zat ik weer rechtovereind. Hoe laat was het? Ik wierp een blik op mijn horloge. Het was 12.30 uur. Wat, al half één. Ik schrok me dood.

‘Es, het is al half één. We hebben zo’n twee uur liggen maffen. Dat was niet helemaal de bedoeling’ klonk ik van opwinding.

‘Oeps!’ hoorde ik naast mij.

‘Oeps, ja dat kun je wel zeggen. Kom, slapen moeten we vanavond doen. Niet nu, dat is zonde van de tijd. Ik ga liever alvast een beetje kennismaken met de stad.’

Esther knikte en kwam langzaam overeind. Ze sputterde dit keer niet tegen en ik kreeg gelijk mijn zin.

Bangkok wordt opgesplitst door de rivier Chao Praya. Over deze rivier vaart de River Express Boot die als een soort waterbus fungeert. Voor een paar baht, een paar centen dus, wordt je een paar haltes verder gebracht. De meest ideale manier van vervoer, zonder last te hebben van files. Slechts af en toe ligt er misschien een watertaxi of een toeristisch bootje in het vaarwater, maar voor de rest is het perfect. Omdat ons hotel niet ver van een halte lag en ook de meeste bezienswaardigheden met de Express Boot te bereiken waren, wilden wij de boot natuurlijk niet missen.

Onderweg naar de halte kwamen we langs een immens grote Boeddha. Waarschijnlijk zo’n 20 meter hoog en helemaal in het goud. Vanaf de bovenste verdieping van het hotel konden we zijn hoofd al zien, zo groot was ie.

‘Hoe hebben ze zo’n Boeddha zo groot gekregen,’ vroeg Esther zich vol bewondering af.

‘Ik weet het niet, maar dat geldt ook voor alle hoge gebouwen en die tempels en zo. Enorm, en hoe ze het gemaakt mogen hebben… Het is kunst met een hoofdletter K.’

Na deze eerste uitgebreide kennismaking met een Boeddha, vervolgden we onze weg. Op zoek naar de halte van de Express Boot. We keken om ons heen maar zagen niets dat op een halte leek. Alleen maar de gasten van het restaurant.

Een oude Thaise man had door dat wij de boot zochten.

‘Zoekt u boot?’ vroeg hij in gebrekkig Engels.

‘Ja!’ klonk het hoopvol aan onze kant.

De man wees vervolgens naar het restaurant.

‘Daar?’ klonk mijn stem vol ongeloof.

De man knikte heftig zijn hoofd. ‘Ja, jij gaan’ en wuifde ons op weg.

Voorzichtig liepen we langs de tafeltjes in het restaurant en voelde ons erg ongemakkelijk. Maar de goede man had gelijk. Aan het einde van de steiger waarop het restaurant stond was de halte. Dit was de halte ‘Bank of England’. Dit zou onze ze op- en uitstapplaats worden. Omdat de boten regelmatig langskomen is een dienstregeling overbodig. We hoefden dan ook niet lang te wachten, iets dat de boot overigens ook niet deed. Terwijl de boot kwam aanvaren gaf de conducteur lange signalen. En op het moment dat de boot met de achterkant de kade raakte, werden korte signalen gegeven. Dat was het teken dat men kon in- of uitstappen. De tijd die de passagiers kregen Het deed mij een beetje denken aan de Underground van Londen. Als je daar niet snel reageerde zat je tussen de deuren van de Metro. Hier dus ook. Voor je wist lag je in de rivier. Even wennen en goed opletten dus.

Na een tijdje varen zagen we een mooie toren boven alle, vooral moderne, gebouwen uitsteken. Het porselein van dzee hoge toren glinsterde ons tegemoet. Dat kon niet missen, dat moest de Wat Arun zijn. Na twee haltes arriveerden we aan de voet van deze enorme tempel.

De Wat Arun wordt ook wel de Tempel van Dageraad genoemd. Vernoemd naar de Indiase god van de Zonsopgang, Aruna. Deze tempel werd in de 19e eeuw gebouwd in de tijd van Koning Rama I en II. Ook daarvoor was er op die plaats al een tempel en koninklijk paleis van koning Taksin. Hij liet het in de 17e eeuw bouwen. De prang, een traditioneel gebouwde vingervormige toren van 82 meter hoog is gebouwd op een aantal terrassen en versierd met ingelegde stukjes veelkleurig porselein die de zonnestralen opvangen. De tempel ziet er daardoor op een afstand al schitterend uit.

Met een diepe zucht keek Esther naar boven.

‘Wat een gebouw zeg,’ zei ze terwijl ze de toren aan een grondige inspectie onderwierp. ‘Dat doen we nu ook weer. Helemaal retro dat mozaïeken.’

‘Dat klopt, maar in die tijd was het gebruikelijk om hele tempels te versieren met gebroken porselein. Dus niet een of ander klein schattig tafeltje. Om alleen al deze tempel te kunnen doen zijn schepen vol met porselein uit China gekomen.’

Vol ongeloof keken we naar boven.

‘Wat een moeite deden ze toen om de dingen mooi te maken hè?’

‘Ja, het is zo moeilijk voor te stellen. Wij zijn gewend aan allerlei moderne apparatuur zoals graafmachines, steigers, hijskranen en dergelijke. Maar zij, zij zijn toen met boten het porselein wezen halen en hebben alles met de hand in gelegd. Hoe lang zullen ze wel niet bezig geweest zijn?’

‘Heel lang. En ik ben ook benieuwd naar hoe lang wij er over doen om boven te komen.’

Daar konden we maar op een manier achter komen en ik liep gelijk richting de trap, op de voet gevolgd door mijn trouwe tweevoeter.

Het was niet de leukste toren om te beklimmen. Het trappetje was erg smal en de treden waren op een aantal plekken dun en afgesleten. Uitkijken dus. En met die brandende zon erbij was het best een pittige klim, maar zeker de moeite waard. Hijgend genoten we van het prachtige uitzicht. Vanaf dat punt konden we de hele stad overzien. Het was werkelijk adembenemend. Het was zo mooi dat er een lange stilte viel, iets dat ons eigenlijk nooit overkwam. De kleine stukjes porselein op de tempel glinsterden en het was er duidelijk met veel zorg op gelegd. Ik sloot mijn ogen om het beeld zo lang mogelijk vast te houden.

Vanaf deze tempel konden we ook het Grand Palace zien liggen, onze volgende bestemming. Na onze klim en een bezoekje aan een nabijgelegen amuletmarkt, gingen we met de pont naar de overkant. Voor het gemak namen we aldaar de Express Boot naar de halte vlakbij het paleis. Dat het ’nemen van de bus’ in Bangkok toch wel meer expertise vereiste merkte we bij het uitstappen. Esther lette niet op en had niet door dat de korte signalen klonken. Hierdoor sprong ze op het laatste moment, toen de boot al vertrok van boord. Even dacht ik dat ze té laat was en tussen wal en schip zou belanden. Maar ook nu waren haar lange stelten in haar voordeel.

‘Mens, wat deed jij nou?’ vroeg ik haar een beetje boos, want ik was wel geschrokken.

Esther deed alsof er niets gebeurd was. ‘Niets. Ik had gewoon zin in slootje springen.’

‘Haha, wat zijn we weer grappig. Wil je de volgende keer gewoon opletten en op tijd springen? Ik schrok me werkelijk een hoedje.’

Esther lachte en fluisterde zachtjes ‘Wat dacht je van mij. Ik deed het bijna in mijn broek.’

Via allerlei kleine straatjes kwamen we op de straat uit waar ook het paleis lag. Het paleis, dat een uitgebreid complex van gebouwen is, wordt omringd door muren met een totale lengte van 1900 meter. Vanaf de buitenkant konden we er dan ook niet veel van zien. Alleen de daken van de diverse Watjes, zoals wij de Thaise tempels noemden, en andere gebouwen kwamen boven de muur uit.

‘Wanneer zullen we naar het paleis gaan? Morgenochtend?’ vroeg Esther.

‘Lijkt je dat niet wat overdreven. Denk je dat wij al zo vroeg wakker zijn? Ik denk niet dat we voor 10.00 uur uit het hotel zullen zijn. En het paleis is ’s ochtends maar tot 11.30 uur open. Ik weet dat wij altijd snel door oude bagger heen vliegen, maar hier wil ik echt even van genieten en de tijd voor nemen. Het is wat anders dan die oude opgegraven dingen in Griekenland. Wie weet wanneer ik hier weer kom?’

Ze keek bedenkelijk en probeerde het opnieuw. ‘In de middag dan? Het is ‘s middags wel warm, hoor. Ik voel de zon nu ook goed branden.’

‘Volgens mij is het altijd warm, dus wat maakt het uit? Waarom wachten we niet tot overmorgen? Dan kunnen we gewoon ’s ochtends gaan. Toch?’ en ik keek haar vragend aan.

Ze reageerde niet direct, dus ik ging door met mijn pleidooi. Ik had immers een ander plan.

‘Laten we maar afwachten hoe het morgenochtend verloopt. Wie weet zijn we heel vroeg wakker en als we dan zin hebben, dan gaan we. En hebben we geen zin? Stellen we het gewoon uit. Trouwens, ik wil ook nog eventjes bij The Post langs,’ voegde ik er een beetje schuldig aan toe.

Esther keek mij met grote ogen aan en ik zag de vraagtekens bijna op haar voorhoofd staan. ‘Waarom wil je bij de krant langs?’

Vrijwel niemand wist was op de hoogte van die eerste dagen en weken van mijn leven. Er was een zoekactie geweest waarbij naast politie ook de pers ingeschakeld was.

‘Heb ik je dat nooit verteld? Ik heb in de krant gestaan. Toen mijn ouders mij vonden was dat natuurlijk enorm nieuws. Een Thaise baby in de slaapkamer van buitenlanders. Iedereen wilde natuurlijk er voor zorgen dat mijn Thaise ouders gevonden werden en daarom is er een heel uitgebreid artikel geplaatst, met foto.’

Ze was met stomheid geslagen en staarde mij aan. Ze zei nog niets, dus ik ging door.

‘Mijn ouders hebben die krant bewaard, maar in de loop der jaren is de krant een beetje erg verkleurd en nu is er niets meer van te lezen. Ik heb het dus nooit kunnen lezen. Want toen ik er naar vroeg was de pagina al tot onleesbaar vergeeld.’

Het leek eindelijk tot haar door te dringen. Voor haar doen reageerde ze wel heel erg traag. ‘Tjee, ik ben op vakantie met een nationale bekendheid.’

Ik knikte een beetje onzeker, nationale bekendheid. Haha, was dat maar zo, dan was mijn moeder misschien zo gevonden.

‘Maar,’ ging ze verder, ‘wat wil je daar dan doen, behalve het artikel misschien inkijken?’

‘Dat is het belangrijkste natuurlijk. Ik wil een kopietje van dat artikel, bij voorkeur digitaal natuurlijk. En volgens mijn ouders had het artikel tips opgeleverd, maar daar hebben ze niets aan gehad. Dat wil ik zelf zien. Ik wil wel eens weten of ze de reacties van mensen nog ergens hebben opgeslagen.’

‘Tips? Reacties, wat bedoel je?’

‘Nou, de mensen die naar aanleiding van dat artikel hebben gereageerd. Misschien dat ik die mensen nog eens kan benaderen. Wie weet is er na al die jaren wat boven komen drijven? Of durven ze nu wel meer te vertellen? Stel je voor. Of was één van die tipgevers mijn moeder, of vader en zitten ze te wachten tot ik contact op neem. Of heeft ze later contact opgenomen, maar is het never nooit aan mijn ouders doorgegeven. Het zou zo maar kunnen, toch? Denk je niet?’

‘Volgens mij heb je te veel fantasie. Denk je niet dat als jouw moeder echt contact had opgenomen met de krant, het kindertehuis of wat dan ook dat dat niet aan jullie was doorgegeven? Of denk je soms dat jouw ouders je niet alles hebben verteld?’ Ze keek er bedenkelijk bij.

‘Misschien heb ik wel te veel fantasie en misschien te veel hoop. Voor hetzelfde geld kan het arme mens niet eens lezen. Gek zeg. Vinden we het gek dat ze niet heeft gereageerd. Ze kon het niet lezen. Maar toch, ik vind dat ik het in ieder geval moet proberen.’

‘Dat wel. Ik ben het met je eens dat je het moet proberen. Maar af en toe draaf je door en gaat jouw fantasiewereld, mét jou erin op hol. Ik moet je ouders écht gelijk geven. Ik ben ook bang dat je vreselijk teleurgesteld gaat worden.’

Wat een discussie. Dat was mijn probleem, ik wilde het niet horen.

‘Dat kan me niet schelen. Ik wil alleen over 20, dertig jaar geen spijt hebben dat ik nu geen actie heb ondernomen,’ zei ik op een scherpe toon. ‘Dat ik dan spijt heb omdat ik nu mijn kans niet heb gegrepen. Hoe vaak hoor je bij een televisieprogramma als Spoorloos niet dat ze net een jaar te laat zijn?’

Ik pauzeerde even en ging weer door, ik zat er goed in.

‘Ik begrijp jouw angsten en die van mijn ouders ook wel. Ik heb ze zelf ook, maar als ik niet blijf hopen heeft het helemaal geen zin. Punt uit.’

Ik zag aan Esther dat ze het niet helemaal eens met me was. Maar ze kende me gelukkig goed genoeg om te weten dat het zinloos was om hierover verder in discussie te gaan.

‘Oké, dan gaan we morgen maar naar The Post. Misschien dat we ‘s middags kunnen winkelen in de Chinese wijk.’

Ik keek haar een beetje verbaasd aan. Was ze zo snel om? Hadden mijn woorden indruk gemaakt en meende ze dit? Of was het omdat ze iets van plan was? Nee, ze zou me niet tegenhouden, toch? Maakte ook niet uit, ik ging morgen naar de krant! ‘Ja, akkoord. Dat doen we!’

In een stad als Bangkok werd je zwart zonder dat je het door had. Niet zwart getint van de zonnestralen, maar van de luchtvervuiling. Het was dan ook pure noodzaak om af en toe het vervuilde zweet af te spoelen. Zo ook onze eerste avond. Voor mij was douchen altijd een kortdurende bezigheid en nu zeker. Ik wilde meer zien van deze wereldstad. Dus ik dook als eerste lekker snel onder de douche om met een kwartiertje al aangekleed en wel klaar te zijn voor een hapje eten. Maar Esther? Die nam de tijd. Het was voor haar altijd een ‘genietmomentje’. Lekker soppen en spoelen. Dan wat crème smeren, haren doen, gezicht een beetje verven en dan de kleding.. Ook voor het uitkiezen van haar kleding nam ze ruim de tijd. Nu viel het wel mee, omdat ze natuurlijk maar een selectie van haar mega-kledingkast had meegenomen. Dus ze verscheen nu niet in de meest uitgebreide en spetterende creatie, maar in een weloverwogen praktische outfit. En natuurlijk stond dit haar goed.

Hoewel het nog vroeg in de avond was, begon het al aardig donker te worden. De temperatuur was een stuk aangenamer en het was dan ook heerlijk buiten. We hadden inmiddels wel trek gekregen, maar wisten niet goed waar we moesten eten. Neuzend liepen we door de straten in de buurt van het hotel. Het Thaise leven speelde zich grotendeels op straat af en de geur van eten en wierook kwam je tegemoet. Het ene eetstalletje na het andere. De Thaise bevolking zelf genoot van de gerechten die er in deze kleine provisorische keukens gemaakt werden. Met een paar flinke pannen wist men de gasten van een goede maaltijd te voorzien.

‘Jij geniet hier van, hè?’ vroeg Esther terwijl zij mij observeerde.

Ik liep inderdaad te glunderen, ik vond het geweldig. ‘Ja, ik vind dit zo echt, zo puur.’

‘Dat is ook duidelijk te zien. Je glimlach loopt van oor tot oor.’

‘Vind jij dit niet te gek dan? Het is al donker en alleen die stalletjes en de winkels zorgen voor licht. Iedereen is gewoon op straat. Ze drinken wat met elkaar en ze eten bij de eettentjes. Gewoon op straat, tussen de uitlaatgassen. Dat is toch onwerkelijk?’

‘Ik vind het eerder onhygiënisch. Dat deze mensen niet ziek worden. Bij ons hebben ze honderden regels voor de horeca en in dit land, waar de gemiddelde temperatuur misschien 25 graden is mag iedereen doen en laten wat ie wil. Echt fris vind ik het niet.’

Ik schudde mijn hoofd verontwaardigd. ‘Stel je niet aan!’

Esther kon echt een pietlut zijn in die dingen. Alsof je er dood aan zou gaan.

‘Je moet gewoon een tentje uitzoeken waar veel mensen zitten. De Thaise bevolking mijdt de slechte zaken ook hoor. Hun darmen kunnen ook niet alles hebben. Wat denk jij dan.’

‘Maar toch. Zij zijn er aan gewend. Wij niet.’

‘Kom op zeg, het is toch niet de eerste keer dat je buiten Nederland bent. Je bent een echte kaaskop zeg. Echt een boer. En wat de boer niet kent…’

‘Ja, ja ik weet waar je heen wilt, maar hier aan deze drukke straat hoef ik niet zo nodig te zitten. Het enige wat ik ruik of proef zijn uitlaatgassen. Bovendien, dat zou ik in Nederland ook niet doen, dus waarom hier wel? Gewoon een principekwestie, punt uit!’

Ik wist dat ik haar hier niet aan het eten zou krijgen. Althans deze eerste dag niet. Misschien als er geen andere optie zou zijn? Maar dat was nu niet het geval. Ik moest een compromis verzinnen. Daarom stelde ik voor om naar de een populaire trekpleister te gaan. Daar hadden ze vast wel iets dat haar zou bevallen. We liepen via Pra Sumen Road naar de Khao San Road, of te wel de Backpackers Road. Deze straat had zijn bijnaam te danken aan de jonge rugzaktoeristen die in deze straat verbleven. In de afgelopen jaren was deze straat dan ook uitgegroeid tot een soort van Jeugdherberg, maar dan in een gehele straat. Overal liepen en verbleven jongeren uit de hele wereld. Hier konden ze voor weinig geld overnachten en eten. Door deze ontwikkeling was de straat uitgegroeid tot een marktstraat. Het ene kraampje met kleding na de andere volgde. Alles wat de reizende doelgroep nodig had was hier te vinden. Sarongs, T-shirts, Thaise sieraden, slippers, tassen etc. Maar ook de souvenirachtige zaken voor hen die weer terug gingen zoals de houtsnijwerken, horloges of zijden kleding. Liep je achter de kraampjes langs, dan kon je genieten van diverse kledingwinkels waar het mogelijk was om binnen 24 uur een pak ‘van’ Gucci, Armani of Hugo Boss aan te laten meten. De Thai waren meesters in het kopiëren en dat was goed te zien. Het gold namelijk niet alleen voor kleding, maar ook de sieraden en horloges. Met een beetje afdingen kon je voor 10 Euro met een Rolex of Cartier om je pols lopen. Ik had er al over gelezen en genoot er van om het nu ook te zien.

‘Hier moeten we toch wel leuke souvenirs kunnen krijgen. Denk je ook niet Tamara?’

‘Zeker weten. Ik zou nu al de hele tent leeg willen kopen.’

‘Wat let je?’

‘Mijn rug. Ik moet er nog drie weken mee sjouwen. Of jij moet dat voor me willen dragen?’

‘Nou nee. Dank je wel. Maar weet je wat, als we nu noteren wat we leuk vinden en de prijs erbij zetten, dan kunnen we kijken of we het hier op de terugweg moeten kopen of al eerder. We vertrekken immers weer vanaf Bangkok Airport, toch?’

Heerlijk, dat was Esther ten voeten uit. Zo praktisch ingesteld, een echte Hollander. Of eerder een Zeeuws meisje met haar ‘geen cent te veel’. Ik lachte haar toe. ‘Wat ben je toch een slimme tante.’

En hoewel grappig, werd er toch een lijstje gemaakt.

Met een straat vol met allerlei eettentjes was het best moeilijk om iets uit te zoeken. De restaurantjes die té Westers oogden sloegen we over en kozen voor een klein eettentje, niet groter dan een kleine snackbar. De kaart was uitgebreid en wij besloten om een soepje vooraf te nemen en daarna een noodles gerecht. Een leuk idee dat door de Thai anders werd ingevuld en zo kregen we alle gerechten tegelijkertijd geserveerd. Daarnaast was een pikante vissoep of een kippensoep in Thailand van een andere omvang dan in Nederland. Alleen al met de soepen konden we onze honger stillen. We deden het daarom rustig aan en wisselde onze soepjes af met het ‘hoofdgerecht’. Ook al was het iets te veel, het was heerlijk. We genoten van het eten en de gehele entourage. Het was een drukke avond en de Thai en toeristen zorgen voor een goed bevolkte straat. We besloten de gezelligheid achter ons te laten. We waren helemaal gesloopt. Dus na ons etentje liepen we via de kortste route weer terug naar het hotel.

Voldaan stapte ik in bed met de gedachte dat ik niet snel zou slapen. Al was ik zwaar vermoeid en had ik nog te kampen met een kleine jetlag, inslapen zou tijd kosten. Deze eerste dag had zoveel indrukken opgeleverd dat ik dit eerst op een rijtje moest zetten. Wat was Bangkok een wereldstad. Alhoewel ik bij aankomst ‘m even kneep, was ik nu zwaar onder de indruk. Zelfs na deze eerste uurtjes had ik het gevoel alsof ik hier thuis hoorde. Je zag zulke dingen wel eens op televisie, dat mensen gelijk een gevoel van ‘thuis komen’ hadden. Ik geloofde er eigelijk niets van en dacht altijd dat ze heel goed toneel konden spelen en vooral heel erg overdreven. Maar nu? Nu wist ik beter.

Natuurlijk was Esther al weer snel knock-out. Eerder was ik er eigenlijk niet jaloers op, maar nu. Nu zou ik dolgraag met haar willen ruilen. Maar ja, ik had het niet in de hand. Ik lag ontspannen in bed, met mijn armen onder mijn hoofd gevouwen, naar het plafond te staren. Ik was enorm vermoeid, maar ik kon de slaap maar niet vatten. Pas na een paar uurtjes won de vermoeidheid het en zakte ik langzaam in slaap. Je zou zeggen heerlijk slapen, dromen en lekker uitrusten. Maar helaas, het was maar van korte duur. Al snel droomde ik weer over mijn Thaise moeder. Ze stak haar armen uit en weer gebaarde ze dat ik moest komen. Ik liep met uitgestrekte armen naar haar toe en probeerde haar te pakken. Maar ze was al weer weg. En weer kwam ze uit het niets opdagen. En weer wilde ik haar aanraken. En weer ging ze weg. Keer op keer gebeurde dit en bleef ik alleen achter. Ik riep haar en ik snikte, waarom, waarom? Ik wilde mijn mama. Maar mijn mama wilde mij niet. Ik snikte blijkbaar zo luidruchtig dat Esther er wakker van was geworden.

‘Tamara, wat is er?’ vroeg ze voorzichtig terwijl ze haar arm om mij heen sloeg. ‘Héé Tammy wat is er aan de hand?’

Langzaam deed ik mijn ogen open en keek in twee angstige ogen. Instinctief vloog ik haar om de hals en brulde tranen met tuiten. Ik voelde mijn haren klam in mijn gezicht plakken. Even kon ik niets uitbrengen, ik was helemaal van de kaart. Esther wist zich uit mijn greep los te maken en stond op om een glas water en een nat washandje te pakken. Terwijl ik het water met trillende handen op dronk, depte zij mijn voorhoofd met het koele washandje. Het maakte mij een stuk rustiger en met af en toe een snik vertelde ik over mijn droom en over mijn Thaise moeder.

‘Ze was hier. Zo levensecht, maar ze komt niet dichterbij! Waarom niet?’ schreeuwde ik door mijn tranen heen.

‘Ik weet het niet Tamara. Heb je deze droom al eerder gehad?’

Ik knikte terwijl ik nog wat tranen wegveegde. ‘Ja, het laatste halfjaar droom ik vaak over haar en het wordt steeds sterker, steeds vaker en ook zo helder. Het is net een film.’

‘Je bent helemaal van slag joh. Je lag te roepen en te draaien in bed. Ik schrok er gewoon van,’ en ze aaide over mijn wang.

‘Sorry,’ en ik keek haar beteuterd aan. ‘Ik had je hiervoor moeten waarschuwen. Dan was je misschien minder geschrokken.’

‘Doe niet zo gek, zo snel ben ik niet bang. Het is al goed. Maar ik ben wel blij dat je hier nu niet alleen bent. Of dat we op aparte kamers slapen.’

‘Anders ik wel. Dan zou ik misschien niet eens durven gaan slapen.’

‘Maar wat betekenen die dromen dan? Heb je enig idee?’

Alhoewel Esther echt mijn beste vriendin was, waren er zaken die ik niet met haar deelde. Zo wist zij niet dat ik vaker dergelijke dromen had en wist zij ook niet dat ik het laatste halfjaar bijna wekelijks bij een psycholoog over de vloer kwam. Dat was prettig, want alleen met hem kon ik diepgaande gesprekken voeren over mijn dromen en over wat mij dwars zat. Mijn ouders waren lieve mensen en een betere zus kon ik niet wensen, maar hierover wilde en kon ik het gewoonweg niet met ze hebben. Ik was bang dat wat ik voelde, droomde en wilde, té confronterend voor hen zou zijn. Dat ik hen zou kwetsen met mijn ideeën. Tevens hadden zij absoluut geen idee dat het bij mij zo diep zat. Zij onderkenden mijn geestelijke problemen niet. Vandaar dat het beter was dat ik professionele hulp in had geschakeld. En nu was het iets in mijn wekelijkse routine. Iets waar ik reikhalzend naar uit kon kijken. Iets dat ik nooit had verwacht. Maar nu, nu was het tijd om Esther hier over in te lichten. Dat was wel zo fair.

‘Iets dat jij nog niet weet is dat ik de afgelopen tijd een psycholoog heb bezocht.’

Haar gezicht verbleekte alsof wat ik haar vertelde een schande was. ‘Wat? Jij? Een psycholoog? Dat heb jij toch niet nodig?’

Ik legde mijn wijsvinger op mijn mond als teken dat ik even verder wilde vertellen. ‘Het lijkt misschien zo dat wij daar in Blaricum ‘het perfecte gezin’ vormen, maar dat is niet altijd zo. Althans, ik wil het niet erger maken dan het is, maar ik zit al een tijdje niet lekker in mijn vel. Ik heb zo veel vragen en daar kunnen mijn ouders mij niet mee helpen. En de laatste tijd heeft dat best wel tot wat conflicten in huize De Lange geleid.’

‘Wat voor vragen? Over waar je vandaan komt en zo?’

Ik knikte. ‘Ja, gewoon de basis. Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Waarom ben ik te vondeling gelegd? Wat heb ik mijn Thaise moeder misdaan dat ze mij heeft weggedaan. En waarom heeft ze mij geen naam gegeven? En dan die gekke dromen erbij. Dan voel ik mij te min voor iedereen, dat ik daar niet hoor, dat ik het niet verdiend heb om zo te leven. Soms voel ik mij zo down, zo depri.’

Het maakte indruk, Esther viel stil en wist blijkbaar niet wat ze moest zeggen.

‘Met hem heb ik gesproken over de dingen waar ik tegen aanloop zoals ook mijn dromen. Het leek erop dat mijn verleden een dusdanig zware rol speelde dat het mijn toekomst op een negatieve manier zou gaan beïnvloeden. En dat is wat ik wilde voorkomen.’

‘En wat zegt die zielenknijper dan? Heeft hij alle antwoorden voor je?’ vroeg Esther sceptisch.

Ik lachte. ‘Nee, natuurlijk niet. Ik moet er zelf aan werken. Maar één ding was wel duidelijk, ik heb héél erg last van verlatingsangst.’

‘Verlatingsangst? Hoe moet ik mij dat voorstellen?’

‘Het is iets dat veel adoptiekinderen hebben. Het gevoel dat ze verlaten zijn en dat ze wéér in de steek gelaten zullen worden. Vaak is dat iets waar ze juist op jonge leeftijd last van hebben en dan hebben ze moeite met alleen zijn. Niet alleen kunnen slapen, of afscheid nemen op school bijvoorbeeld. Iets waar ik juist geen last van had. Bij mij is het pas in de pubertijd gekomen.

‘Hoe bedoel je?’

‘Nou, bij mij is het later gekomen. Blijkbaar omdat ik pas sinds een paar jaar pas écht nadenk over mijn biologische moeder. Eerder had ik daar geen behoefte aan, maar nu. Nu haal ik het dubbel en dwars in. Mijn dromen duiden echt op verlatingsangst.’

‘Maar buiten die dromen, merk je het dan nog aan iets? Mij was het niet opgevallen. Dus?’

‘Nou, ja. Het mag wel duidelijk zijn dat ik geen ster ben in het houden van relaties. Krijgen is één, maar houden is een ander.’

‘Ja, maar zij verlaten jou toch niet. Jij bent meestal degene die ze al snel zat is. Wat wil je zeggen?’

Ik keek haar strak in de ogen aan. ‘Es, weet je wat het is. Het doet minder pijn als je ze zelf verlaat. Als ik denk dat ze iets te dichtbij komen en dat ik mogelijk ‘echt van ze ga houden’ stop ik ermee. Kunnen zij mij niet kwetsen.’

Ze was met stomheid geslagen. Het gebeurde niet veel, maar Esther viel helemaal stil en moest zoeken naar woorden.

‘Tjees, dat is heftig. Maar met die wetenschap begin je er al niet eens aan. Je weet toch al hoe het gaat eindigen. En het is toch niet eerlijk naar die jongens. Neem de laatste, Tim. Dat was een leuke vent, lekker ding, lief en vooral heel erg gek van jou. Heb je hem ook gedumpt?’

Ik klakte even met mijn tong en knikte.

‘Het was inderdaad een leuke jongen, maar zoals je zei. Hij was helemaal idolaat van mij. In het begin was het prettig, maar dan wordt het toch te veel. Dan krijg ik een benauwd gevoel, alsof ik niet kan ademen. En dat is eigenlijk waarom ik hem aan de kant heb geschoven.’

‘Eeuwig zonde, zo´n lekker ding. Maar waarom begin je er steeds aan?’

‘Hallo! Ik ben ook maar een gewone tiener en ik heb ook mijn behoeftes. Ik wil ook geliefd zijn en aandacht krijgen. Wat moet ik anders? Non worden? Het klooster in gaan en er nooit meer uitkomen? Mij afsluiten voor al het mannelijk schoon?’ grapte ik.

‘Jij een gewone tiener? Dat ben ik niet helemaal met je eens. Maar hoe zit het met die psych? Wat vindt hij van dit reisje naar Thailand? Vond hij het niet beter dat je eerst jouw problemen oplost voordat je weer nieuwe creëert?’

Het was maar beter dat Esther geen psychologie studeerde. ‘Hij vindt het alleen maar goed. Hij is van mening dat deze reis een verrijking zal zijn en dat het mij goed zal doen. Met andere woorden...’

‘Ja, als je gewoon vakantie viert. Maar weet hij ook wat jouw plannen zijn? Weet hij dat je jouw moeder wilt zoeken? Dat kan mijn inziens niet bijdragen. Of wel?’

‘Hij weet dat ik dit wil doen en hij ziet er geen kwaad in. Hij is van mening dat ik er alleen maar sterker uit kan komen.’ Esther was klaarblijkelijk niet zo gecharmeerd van mijn psycholoog. Ik des te meer. Ik kon goed met hem praten en dat was op die momenten erg belangrijk voor mij.

‘En,’ ging ik verder, ‘het is niet alleen mijn moeder die de antwoorden kan geven, maar het is meer. Het totaalbeeld waar ik nu nog gaten in heb zitten.’

Ze keek me niet begrijpend aan.

‘Zie het als een puzzel, een landschapje met mensen. Ik mis nog een aantal stukjes om hem helemaal af te krijgen. Zo mis ik een stukje uit de achtergrond. Hoe ziet mijn geboorteland eruit? Welke kleuren komen er in voor? Wat voor sfeer? En een deel van de puzzelstukjes betreft mensen, met op de voorgrond mijn Thaise familie. Hoe leven de mensen hier, hoe zien hun huizen eruit? Hoe ziet mijn familie eruit? Mijn ouders? Neven, nichten. Ook de gewone Thaise bevolking. Ook al vind ik het laatste stukje niet, mijn puzzel is dan wel een stukje verder en misschien kan ik met wat fantasie het laatste stukje inkleuren.’

‘Je hebt er wel over nagedacht hè?’

‘Esther, dit is niet iets dat me net overkomt. Het is gegroeid in de laatste jaren en de laatste maanden ben ik er heel intensief mee bezig geweest. Op alle fronten was het heftig. Mijn dromen bijvoorbeeld. Die zijn soms zo heftig dat ik er gewoon pijn van heb. Mijn ouders hebben nachten aan mijn bed gezeten, zonder te weten wat er aan de hand was. Ik lag dan te kermen van de pijn, of te roepen om mijn Thaise moeder. Het was niet te bevatten. Het was niet alleen pijnlijk voor mij, maar ook voor mijn ouders. Hoewel zij het liefste alles ontkennen. Zij steken hun hoofd liever in het zand. Dat is ook waarom ik het er met hen haast niet over heb. Zij staan er voor mijn gevoel niet écht open voor. Ze doen wel alsof, maar als het te moeilijk wordt. Ho maar.’

‘Onvoorstelbaar. Waarom heb je er nooit met mij over gesproken. Nu heb je al die tijd in je uppie zitten malen en kon je het er met niemand over hebben. Ik had je willen helpen.’

‘Dat is heel lief van je. Maar zoals een wijze Thai mij onlangs vertelde: er is maar één manier. Daarom ben ik hier. En weet je wat? Ik ga nu eerst slapen. Als ik niet uitgerust ben, zie ik wellicht puzzelstukjes over het hoofd.’

Hoofdstuk 1 t/m 3

Heb je de eerste drie Hoofdstukken gemist? Geen probleem, deze kun je hieronder nalezen!

- Hoofdstuk 1

- Hoofdstuk 2

- Hoofdstuk 3